Van Girona naar de Cauberg: mijn start van het gravelseizoen

Koersen op de gravelbike. Iets waar ik vorige zomer voor de grap eens mee begon. Iets wat onverwacht goed ging. Iets waar ik beter in wilde worden. Iets wat ik deze zomer weer wilde doen…

En daar begon ik afgelopen zondag – 11 mei – mee tijdens de UCI Marly Grav in Valkenburg. Met slechts twee eerdere koersen op de teller ben ik echt nog een rookie in de gravelsport. En jullie, als lezer van mijn blogs, waarschijnlijk met mij. Daarom leek het me leuk om jullie eens mee te nemen in hoe zo’n wedstrijddag – en de aanloop ernaartoe – in zijn werk gaat. Waar moet je over na denken voorafgaand aan een dergelijke koers, wat komt er allemaal bij kijken & wat zijn de dingen waar ik tegenaan loop?

Traincation in Spanje

Voordat we naar de koersdag zelf gaan, doen we even een stapje terug in de tijd. Grote kans dat je het voorbij hebt zien komen op mijn instagram, maar de maand april bracht ik door in Spanje. In principe is april de maand waarin je als schaatser op vakantie gaat, even het gas eraf haalt en trainingsschema’s loslaat. Dit heb ik zeker gedaan, maar omdat ik door mijn blessure een hele andere aanloop had naar dit off-season, had ik ook besloten al wat meer uren te maken op de fiets. De eerste twee weken stonden nog echt in het teken van vakantie vieren en leven bij de dag, maar de laatste twee weken van april waren vooral gevuld met ritten door de bergen. Lange duurritten, intensieve blokjes, een FTP-test en als kers op de taart een driedaags tripje naar Girona (hét gravelparadijs) om daar mijn stuurkunsten nog wat te verbeteren. Grotendeels om gewoon weer fit en met een goede basis aan dit zomerseizoen te starten, maar zeker ook omdat ik bij Marly Grav een mooie uitslag wilde rijden. Na vorig jaar een vijfde en een tweede plek bij de Gravel One Fifty en Houffa Gravel, had ik wel de hoop en het doel om deze lijn door te zetten. En met dat in mijn achterhoofd reisde ik dan ook af naar Valkenburg…

Een Limburgs weekend

In tegenstelling tot veel andere UCI-koersen, was de race gepland op zondag. Dit had te maken met het feit dat de organisatie er een heel festival van gemaakt had, met de race als afsluiter op zondag. Voor mij kwam dat goed uit, want zo had ik zaterdag nog tijd om op mijn gemak het parcours te verkennen. Om zaterdag rustig aan te kunnen doen en ook nog wat te kunnen genieten van Valkenburg zelf, waren we (mijn moeder, een vriendin en ik) vrijdag al die kant op gegaan. Zin om te koken hadden we niet meer en aangezien Valkenburg goed scoort op toerisme, besloten we ergens een pizza te eten. Een goede keuze, want want het centrum van Valkenburg bleek echt hartstikke leuk en gezellig. We kwam terecht in een sfeervol Italiaans restaurant en op de terugweg naar de auto pikten we nog even een paar minuten live muziek mee in een Limburgs cafeetje. De toon was gezet!

Zaterdag had ik met vrienden afgesproken om samen het parcours te verkennen. De koers zou 155 kilometer tellen en dit totaalplaatje was opgebouwd uit drie keer hetzelfde rondje van 55 kilometer (de eerste ronde was 10 kilometer korter). Het spektakelstuk was – hoe kan het ook anders – de Cauberg, welke gelijk na de start opgenomen was in het parcours. Een andere highlight waren de Gemeentegrotten van Valkenbrug, welke na doorkomst voor ronde twee in het routeboek stonden. Ronde drie werd ingeluid met wederom de Cauberg, maar dan via de onverharde kant omhoog. Voor de verkenning van die dag reden de gehele ronde (55 kilometer). De dingen die mij opvielen waren vooral de technische afdalingen en hier en daar een scherpe bocht, die je wel echt moest kennen om geen stuurfout te maken. Verder vond ik het vooral een heel gaaf parcours met veel afwisseling. Met iets meer dan 500 hoogtemeters per ronde, vond ik het wel lastig inschatten hoe ik – toch wat zwaarder dan een gemiddelde wielrenner – hier doorheen zou komen. Na de verkenning streken we neer op een picknickkleed in een parkje voor de lunch en even genieten van de zon. Daarna kakte ik volledig in, dus deed ik nog even een poging om wat te slapen. Daarna volgde er een pasta-pesto-maaltijd en zorgde ik ervoor dat alles wat ik zondag nodig zou hebben, alvast klaar lag.

Raceday

Toen de wekker ging op zondagochtend, gaf mijn telefoon 06:00 aan. Met nog slaperige ogen at ik mijn havermout en vulde ik mijn bidons met sportdrank. Mijn moeder was – net als bij mijn eerdere koersen – ‘soigneur’ en we hadden bedacht dat ik één keer per ronde bidons aan zou pakken, op de Cauberg. Omdat het daar omhoog gaat, zou ik niet te hard rijden en hadden we de tijd om twee bidons per keer te wisselen. Het enige nadeel hiervan was dat ik dan even moest stoppen, maar aangezien de koers toch zo’n vijf uur zou duren, leek me dat wel oké.

Chaos in de eerste kilometers

Fast forward naar de start… Daar waar de mannen en vrouwen 19-34 normaal gesproken apart starten, was dat deze keer niet het geval. Als je het mij vraagt heel onlogisch, want met meer dan 600 mannelijke deelnemers, had je als vrouw zijnde dus geen idee waar de andere dames reden. Tel daarbij op dat het startvak anderhalf uur van tevoren open gaat, waardoor degenen die er vroeg bij zijn, zo’n 500 posities voor de anderen kunnen staan. Ondanks dat de klassering op basis van tijd en niet op volgorde van finishen was, zorgt het er wel voor dat er van ‘tegen elkaar’ rijden bij de dames geen sprake was. Omdat ik het echt wat te overdreven vond om anderhalf uur in het startvak te wachten, startte ik ergens achteraan. Ik wist dus dat ik vanaf de eerste meters gas zou moeten geven en dat was ook precies wat ik deed. Gelukkig kan ik onderhand best prima sturen, dus de eerste kilometers slalomde ik vrij makkelijk naar voren. De Cauberg was zoals verwacht een taai begin, maar doordat iedereen daar op eigen tempo omhoog reed, kon ik er wel gelijk lekker veel mensen voorbij. Na zo’n drie kilometer draaiden we de eerste gravelstrook op. Een brede strook, waar het stof door de honderden rijders gelijk overal zat. Dat had als nadeel dat het zicht ook heel erg beperkt werd, dus het was echt goed oppassen. Ook hier bleef ik naar voren rijden, van wiel naar wiel springend en daarnaast zo weinig mogelijk met mijn neus in de wind. De eerste twintig minuten vlogen op deze manier voorbij. Ondanks dat ik van tevoren had bedacht niet te gek te doen, lag m’n normalized power (NP) rond de 300 watt, dus ik realiseerde me wel dat ik daar niet te lang mee door moest gaan. Die keuze werd uiteindelijk voor me gemaakt, want na zo’n tien kilometer lag er een steile single-track klim. Hartstikke leuk, maar niet als je daar met meer dan duizend man op af rijdt. Één iemand die daar af moet stappen is namelijk genoeg om het heel peloton plat te leggen en dat is precies wat er gebeurde. Met als resultaat dat wij beneden stil stonden en met de fiets aan de hand heel langzaam omhoog moesten lopen. Niet precies wat je verwacht bij een dergelijk goed georganiseerd evenement, maar je doet er ook weinig aan… Na dit wandelintermezzo ging de wedstrijd verder. Na ongeveer een halve ronde kwam ik in een groepje terecht met nog één andere dame erin. Ondanks dat we nog vroeg in de koers zaten, merkte ik wel dat wij qua niveau aan elkaar gewaagd waren, wat een leuke extra dimensie gaf aan de race. Tijdens de rest van de eerste ronde bleven we zo’n beetje in dat groepje hangen, waarmee we veel rijders die voor ons gestart waren inhaalden. Één ding was me in dit eerste uur wel duidelijk: je moest constant geconcentreerd blijven. De paar keer dat mijn gedachten een beetje weg dwaalden, werden gelijk afgestraft met een steen die gevaarlijk hard tegen m’n voorvelg tikte. Dat dit ook bij andere rijders het geval was, bleek wel door de vele mensen die al langs de kant stonden om een lekke band te repareren. Ook zag ik meer dan één rijder met een open wond van een valpartij. Het was dus echt zorgen dat je de hele tijd vooruit keek en daarbij anticipeerde op wat eraan zou komen. Zo zorgde ik er bijvoorbeeld voor dat ik bij de afdalingen telkens voor in ons groepje zat, omdat ik wel had gemerkt dat er een aantal mannen bij zaten die ik liever niet voor me had tijdens een technisch afdaling.

‘En block’

Ondanks dat ik ervoor gezorgd had dat ik richting het einde van de eerste ronde mijn twee bidons leeg had én de bijbehorende twee gelletjes achterover had geslagen, merkte ik wel dat ik laag in m’n energie zat. De verklaring vond ik in mijn NP, die zat voor die eerste ronde op 270 watt. Dat was écht te veel, dus ik wist wel dat ik de volgende ronde echt moest gaan temporiseren, wilde ik niet al voor de helft van de wedstrijd de man met de hamer tegenkomen.

Die realisatie kwam wel net wat te laat, want toen we bij ingang van de tweede ronde door de grotten heen reden, merkte ik dat ik een beetje duizelig werd. De combinatie van al anderhalf uur lang in het rood rijden, de plotselinge overgang van licht naar donker en een wisseling in zuurstof, zorgde ervoor dat mijn reserves even op waren. Toen we voor de tweede keer richting de Cauberg reden, merkte ik dan ook dat ik niet echt vlot meer omhoog kwam. De bidonwissel met mijn moeder ging gelukkig snel, maar toch had ik een aardig gaatje op ‘mijn’ groepje. Achter me was de weg helemaal leeg en met de wetenschap dat de wind bij het eerste deel van het parcours vrij spel had, zat er niks anders op dan zo hard mogelijk rijden om weer beschutting te zoeken bij de rijders voor me. Deze inspanning kwam niet heel gelegen, maar na een paar minuten gas geven kwam ik er gelukkig weer bij. Dat was wel het moment waarop ik zag dat de andere dame van mijn categorie dit moment gekozen had om weg te rijden en met het zuur dat op dat moment uit mijn oren spoot, was ik niet bij machte om daar nog achteraan te gaan. De tweede ronde bestond dus vooral uit recupereren, goed blijven eten en daar waar mogelijk in de rug van rijders die langskwamen mee naar voren sluipen. Na meer dan twee uur koers zag ik om me heen de eerste tekenen van vermoeidheid. Gebogen hoofden, snot voor de ogen, rijders die hun ruggen strekten.

Op zoek naar herstel

Wat er in de eerste uren ook was gebeurd, was dat mijn stuur naar voren was gekanteld. Iets wat normaal echt niet zomaar gebeurt – ik weet nog steeds niet waar het door kwam – maar wat wel heel vervelend was, omdat ik daardoor niet meer comfortabel op mijn shifters kon leunen. Het was dus constant in de beugels rijden óf, bij het klimmen, echt bovenop m’n stuur zitten. Verre van ideaal, maar ik moest het ermee doen en heel veel tijd om erover te balen had ik ook niet echt, want het ontwijken van stenen, kiezen van de juiste lijnen en op tijd remmen voor de scherpe bochten, vroegen al mijn aandacht. Daar waar we in de eerste ronde echt nog als een massa aan rijders rondstoven, lag het veld onderhand wel echt uit elkaar en reden er vooral veel groepjes rond. Doordat ik goed was blijven eten en even wat gas terug had genomen, merkte ik dat ik wel weer goed hersteld was, waardoor ik op een gegeven moment bij een voorbijkomend groepje mannen aansloot en daarmee nog steeds mensen in bleef halen. Door de hoge temperatuur speelde ook de hitte een grote rol van betekenis. Des te fijner was het dan ook toen we bij een georganiseerde verzorgingspost een bidon met koud water aan konden pakken. Lekker om af te koelen, maar ook fijn als afwisseling van alle zoete isotone sportdrank en de nog zoetere gelletjes. Dit was ook het moment dat ik iets meer mee begon te krijgen van wat er om me heen afspeelde en wat er zoal geroepen werd. De Friese vlag op mijn mouwtjes zorgde in ieder geval voor genoeg gespreksstof, want ‘Hup Friesland!’ was een vaak gehoorde kreet. Een heel specifiek en grappig moment was toen we rond de 80 kilometer bovenaan een klimmetje waren waar het publiek echt stond te schreeuwen. Op het moment dat ze allemaal even stilvielen, was er een koe die de aanmoedigingen overnam: ‘boehhh’ klonk het. Ondanks dat ik met een hartslag van boven de 180 rondreed, had ik nog net genoeg adem over om erover in de lach te schieten.

Miscommunicatie bij de verzorgingspost en alles geven in de derde ronde

Doordat er zoveel dingen waren die mijn aandacht vroeger tijdens het koersen, vloog de tijd echt voorbij. Ik had de race voor mezelf ‘gewoon’ per ronde ingedeeld. Dat klinkt heel overzichtelijk, maar één ronde duurde wel 1u45… Niettemin waren die uren zo voorbij en voordat ik het wist klonk de bel voor ronde nummer drie. Deze begon met de onverharde kant van de Cauberg. Op dat moment hadden we er zo’n 3,5u koers op zitten, dus je kan je voorstellen dat we niet echt heel fris omhoog reden. In de tijd dat ik over de tweede ronde deed, was mijn moeder – zoals ze altijd doet – in gesprek geraakt met andere ‘verzorgers’. Die hadden unaniem besloten dat ik – omdat ik op dat moment op positie vijf reed – niet meer mocht stoppen voor bidons en zo wilde het dat ik bij aankomst in de verzorgingspost opeens drie mensen had die me een bidon aangaven. In principe een heel strak plan, ware het niet dat ik daardoor een bidon met water in plaats van iso aangereikt kreeg. En zeker in zo’n laatste ronde, had ik alle suikers hard nodig. Maar zoiets gebeurt in een fractie van een seconde en stoppen en omkeren ging ik natuurlijk ook niet doen. Wat wél scheelde, doordat ik niet hoefde te stoppen voor drinken, was dat ik deze keer geen gat dicht hoefde te rijden naar een groepje en me nog even een beetje kon sparen. Hoewel ‘sparen’ op dat moment niet het goede woord was, want met de laatste ronde die was aangebroken, werd de gashendel overal open gedraaid. Het was echt ongelofelijk wat voor slagveld het was. Het groepje waarin ik reed, hield echt nog aardig de vaart erin, maar aan alle kanten reden we mensen voorbij die stil waren gevallen. De lengte van de koers, in combinatie met de hitte en het tempo, maakte dat de één na de ander de man met de hamer tegenkwam. En ondanks dat ik mijn best had gedaan om met genoeg energie aan de laatste ronde te beginnen, merkte ook ik dat ik het zwaar kreeg. Zeker op de klimmetjes moest ik heel bewust mijn eigen tempo rijden. Dat ik niet op mijn stuur kon leunen zoals normaal, hielp daar ook echt niet in mee. Wel kon ik nog door blijven rijden en zo kwam het dat we op een gegeven moment het meisje bijhaalden dat ik in ronde één ook al tegen was gekomen. En dat was ook gelijk waar mijn gebrek aan koersinzicht en -ervaring duidelijk werd. In plaats van dat ik er gelijk overheen klapte, haakte ik voor een paar kilometer aan en probeerde ik daarna op een vlak deel weg te rijden. Dat dit niet de mest tactische keuze is, realiseer ik me onderhand maar al te goed. Want het kostte mij veel te veel energie en een klim later deed zij een tegenaanval, die ik niet kon pareren. Zonde, maar vooral heel leerzaam voor een volgende keer.

Op mijn tandvlees reed ik uiteindelijk de laatste 20 kilometer. De afdalingen, die sowieso al heel technische waren, lagen onderhand vol met bidons die los gestuiterd waren, waardoor het nog beter opletten was en in de scherpe bochten moest ik echt al mijn skills aanwenden om geen slippertjes te maken. Twee kilometer voor het einde probeerde ik nog weg te rijden van het groepje van drie waar ik in terecht was gekomen, maar de harde tegenwind zorgde ervoor dat mijn benen – die toch al niet meer heel energiek waren – niet veel power meer konden leveren. Ondanks dat het in principe helemaal niet uitmaakte of ik voor of achter mijn mederijders zou eindigden – het waren allemaal mannen – besloot ik er toch om te sprinten. Dat sprintje won ik in ieder geval wel (niet in de laatste plaats omdat de anderen mijn sprintplannen helemaal niks vonden, haha).

Op mijn tandvlees reed ik uiteindelijk de laatste 20 kilometer. Twee kilometer voor het einde probeerde ik nog weg te rijden van het groepje van drie waar ik in terecht was gekomen, maar de harde tegenwind zorgde ervoor dat mijn benen – die toch al niet meer heel energiek waren – niet veel power meer konden leveren. Ondanks dat het in principe helemaal niet uitmaakte of ik voor of achter mijn mederijders zou eindigden – het waren allemaal mannen – besloot ik er toch om te sprinten. Dat sprintje won ik in ieder geval wel (niet in de laatste plaats omdat de anderen mijn sprintplannen helemaal niks vonden, haha).

Een finishlijn is een apart iets. Als je er naartoe rijdt kan je vermoeidheid en pijn nog van je af zetten, maar zodra je die scheidslijn overgaat, neemt het opeens je lichaam over. Na de sprint kon ik nog net ergens een gaatje vinden om naar links af te sturen om daar neer te storten op de grond. De teller stond op 5u20 koers, 1600+ hoogtemeters en een NP van 240 watt. Geen kattepis en dat merkte ik aan alles. Niet alleen mijn benen waren leeg, ook mijn voeten waren er niet goed aan toe. Door de hitte waren ze nogal opgezet en het duurde tot een half uur voordat ik zonder al te veel pijn weer op mijn voeten kon staan. In de tussentijd had ik te horen gekregen dat ik uiteindelijk vijfde was geworden. In eerste instantie was ik daar best blij mee, totdat ik een blik wierp op de tijdsverschillen. Na meer dan vijf uur koers bedroeg het gat naar het podium slechts twee minuten. Met de wetenschap dat we stil hadden gestaan voor het klimmetje en de meiden die voor me reden daar minder last van hadden gehad, vroeg ik me wel af hoe dit zou zijn geweest als we als dames samen zouden zijn gestart. Toen mijn moeder daar ook nog aan toevoegde dat ik in het begin van de derde ronde tot op 1 minuut van de dames voor me was gekomen, schoten er wel een paar minder nette woorden door mijn hoofd. Want ‘wat als…’. Ik was deze koers gestart met in mijn achterhoofd de stiekeme ambitie van podium en als er dan zoveel externe factoren daarop van invloed zijn, baal je toch. Aan de andere kant kan ik ook niet met zekerheid zeggen dat ik met een aparte damesstart wél podium gereden had, het enige wat je weet is dat er dan in ieder geval dezelfde omstandigheden zouden zijn geweest voor iedereen.

Van alles wat

Al met al was het een enerverende koers. Van een eerste ronde waarin ik mezelf meerdere malen afvroeg ‘waarom doe ik dit voor de lol?!’, tot een derde ronde waarin we aan alle kanten mensen voorbij reden en ik daarna toch de man met de hamer tegenkwam. Qua bike handling skills had ik mezelf echt wel weer verbaasd en een kleine overwinning was ook dat ik – voor het eerst in mijn nog korte koersgeschiedenis – niet extreem misselijk was geworden van de sportvoeding. Daarnaast was ik mooi ‘geflikt’, wat me een spoedcursus tactisch rijden had gegeven en zo ging ik met een bak vol nieuwe ervaring – én WK-kwalificatie weer naar huis.

Het gravelvuurtje is weer ontbrand en ik ben heel benieuwd naar wat de volgende koersen me gaan brengen! En niet te vergeten: Cube Store Friesland, die er elke keer voor zorgt dat mijn fiets in orde is én van wie ik in dit mooie Friese pakje mag rijden!

De volgende blog zal weer in het teken staan van het schaatsen en het begin van dit nieuwe zomerseizoen. Één ding kan ik alvast zeggen: ik blijf bij dezelfde ploeg (Center of Excellence), met dezelfde insteek: shorttrackprogramma als basis, met langebaan ernaast. 

Foto’s gemaakt door @sportograf

Plaats een reactie